04. Voordrachten, bijdragen en demonstraties
Men had een hang naar het empirische, aangezien vrijwel iedere voordracht van een lid werd vergezeld van een demonstratie. Daarvoor had het gezelschap veel geld over. In de eerste vergadering werden Rink en Campagne aangewezen om voorstellen te doen voor aankoop van instrumenten. Direct werden een lessenaar en een demonstratietafel gekocht. In november 1813 kocht men in Amsterdam voor 300 gulden instrumenten. Dat ging uiteraard op dat moment de kas van de vereniging te boven, maar het bedrag werd voorgeschoten door de voorzitter.
Waarschijnlijk was de contributie voor het volgende jaar al wel te gebruiken voor een in maart 1814 aangeschafte instrumentenkist. In de zomer werd een (school) bord gekocht. Bovendien kreeg Physica van het lid Vethake een fles met dieren op sterk water. Zo had men al binnen een jaar een mooi begin van een collectie bijeen.
Het is voor de huidige lezer misschien curieus om Physicaleden in november 1813 in Amsterdam te zien, terwijl daar in diezelfde periode de anti-Franse acties begonnen die de herstelde onafhankelijkheid van Nederland inluidden. Niets politieks lijkt Physica echter te hebben geraakt. Ondanks het feit, dat leden ook wel individueel politiek actief waren, werd hierover in de vergaderingen niet gesproken. Alleen natuurwetenschappelijke zaken kwamen aan de orde.
De collectie van Physica breidde zich gestaag uit. Er werd een abonnement genomen op de Annalen der Physik van Ludwig Wilhelm Gilbert. Voorzitter Rink schonk de vereniging zelfs een brandspuit (waarschijnlijk een model!). Verder kocht men tussen 1813 en 1818 nog een windas en katrol, modellen van een zaag-, een water- en een oliemolen, een kaapstaander en een “straatweg” voor de wrijvende beweging, dit alles tezamen voor Fl. 74-5-8 (let wel: men rekende hier nog met guldens, stuivers en duiten!). In 1818 werd een globe gekocht volgens de uitvinding van Cornelis Covens. (Rond zo’n globe zijn ringen gemonteerd die zo zijn geconstrueerd dat ze met draaiende bol kunnen meebewegen. Op deze manier kan op iedere plek op aarde een meedraaiend coördinatenstelsel worden gefixeerd. Het doel is om aan allerlei astronomische vraagstukken op te lossen).
Waar men deze collectie bewaarde is niet duidelijk, wellicht bij de voorzitter thuis. Voor het beheer ervan en de ondersteuning bij de verschillende proeven en demonstraties stelde Physica een eigen bode/amanuensis aan. Deze taak werd al in 1813 aan de heer J.P.A. Adriaanse toegewezen, die de eerste halve eeuw in dienst zou blijven.
Opmerkelijk genoeg duurde het tot 8 oktober 1813 vóór het gezelschap bijeenkwam voor de eerste voordracht. De heer C.J.A. Spiering gaf een voordracht over de betekenis van de zinspreuk Ars Aemula Naturae, waarna voorzitter Rink aansloot met het thema “de wijsheid des Scheppers in de Insecten uitblinkend”.
Daarmee was eigenlijk een trend gezet. Zelden bleef het op een avond bij één voordracht. Meestal volgde er nog een kortere, wat luchtiger bijdrage. Die kon zelfs in dichtvorm zijn en daarin kon secretaris Campagne zijn kwaliteit laten zien. Thema’s van de eerste jaren waren zeer divers. Sprak een arts als dokter Bal over verloskunde en bracht een apotheker als Campagne vooral chemische thema’s aan de orde, een predikant als ds. Pieter van der Willigen bracht dan weer tijdrekenkunde als onderwerp in.
Mocht men bij de oprichting gedacht hebben aan een volgorde van de leden, daaraan viel kennelijk niet te voldoen. Een enthousiast lid als Theodoor van Lidth de Jeude gaf in de twee jaar, dat hij lid was, meermalen een voordracht. In 1815 echter verliet hij Tiel om hoogleraar te worden aan de universiteit van Harderwijk. In 1818 verkaste hij van daar naar Utrecht, waar hij baanbrekend werk voor de biologische wetenschap zou gaan verrichten. Daarmee was hij het eerste, maar beslist niet het laatste lid van Physica, dat ergens in den lande hoogleraar zou worden. In de eerste eeuw had Physica bij elk jubileum wel een naam te noemen van zo’n prominent lid of oud-lid.