Alle diersoorten van mensen tot de protozoën functioneren optimaal bij een bepaalde lichaamstemperatuur. Alle diersoorten proberen deze optimale temperatuur dan ook te handhaven.
De “warmbloedige” dieren (zoogdieren en vogels) doen dit met een regelsysteem waarmee zij warmte kunnen produceren door bijvoorbeeld te rillen, of warmte kunnen afgeven door bijvoorbeeld te zweten. De coördinatie van de warmte productie en afgifte wordt verzorgd door het centrale zenuwstelsel.
De “koudbloedige” dieren (reptielen en vissen) trachten hun temperatuur te handhaven met gedragsaanpassingen. Zo gaat een hagedis die het koud vindt in de zon zitten en zwemt een goudvis naar een plekje met warm water als dat nodig is en hij zo’n plek kan vinden. Ook dit wordt geregeld via het centrale zenuwstelsel.
Zelfs dieren zonder zenuwstelsel zoals het pantoffeldiertje kunnen echter hun temperatuur regelen via gedrag.
In de voordracht zal het mechanisme van temperatuurregeling via het centraal zenuwstelsel worden behandeld
De thermosregulatie kan beschreven worden als een systeem waarbij de temperatuur wordt gereguleerd rondom een instelpunt. Als een infectie optreedt, gaat het instelpunt van de thermosregulatie omhoog en de patiënt krijgt koorts.
Koorts is dus een gereguleerde temperatuursverhoging. Koorts is nuttig om een infectie met microben af te weren.
In de voordracht wordt ingegaan op de veranderingen van de thermosregulatie tijdens koorts bij die diersoorten waarbij koorts kan worden opgewekt.